Ervaringsdeskundige als antropoloog in eigen cultuur

Herstel door kennis over de cultuur

 

Eddo Rats

 

Door spanning tussen individu en omgeving kan er een crisis ontstaan. Dit kan leiden tot wederzijds wantrouwen. Het weer in overeenstemming brengen van persoonlijke waarden met culturele waarden, kan bijdragen aan herstel. Het gaat daarbij om fundamentele kennis over de betekenis van cultuur.


Na het afronden mijn HTS Electrotechniek opleiding werd ik tijdens het afstuderen als master student Internationale Technologische Ontwikkelingskunde aan de TU Eindhoven in 1993 voor de eerste keer psychotisch. De twintig jaar daarop stonden in het teken van het doorgronden van mijn psychosegevoeligheid en het realiseren van herstel. Mijn overtuiging is ondertussen dat een fundamenteel begrip van cultuur hier richting aan kan geven. Ik noem dit de benadering van ervaringsdeskundigheid als ‘cultureel antropoloog in eigen cultuur’. Mijn inspiratie daarvoor heb ik onder andere opgedaan door de VPRO documentaire ‘De Hokjesman’. Hierin bezoekt Michael Schaap als obseverend participant diverse subculturen in Nederland. In deze serie word voor de kijker duidelijk, door de verschillende uitzendingen op abstract meta niveau te vergelijken, wat op fundamenteel abstract niveau het begrip cultuur eigenlijk omvat. Door rationeel te vergelijken kan men ontdekken hoe de subculturen zich tot elkaar verhouden en zo de fundamentele betekenis van het begrip cultuur deduceren. Deze methode van Ratio toepassen als logisch deductieve leidraad heeft bij mij richting gegeven aan mijn zoektocht wat uiteindelijk leidde tot mijn volledige herstel.

 

Gedeelde betekenis biedt orde en vertrouwen

Een eenvoudige definitie van cultuur zou “de gemeenschappelijke betekenisgeving met de daarbij behorende waarde beleving” kunnen zijn. Mensen vormen zich binnen een culturele context. Een cultuur kun je zien als geconditioneerde geestelijke gelijkvormigheid binnen een samenleving. De vorm van je persoonlijkheid, hoe je psychisch en cultureel in elkaar zit, is iets wat we deels bij elkaar herkennen. Deze overeenkomst ontstaat omdat we voor een deel hetzelfde worden opgevoed; we zien dezelfde televisieprogramma’s, we leren hetzelfde op school en we communiceren in een taal waarin we elkaar begrijpen. Zo kan een Chinese baby die opgroeit binnen een Nederlands adoptiegezin zich aanpassen tot burger van de Nederlandse staat. Een gezond functionerende cultuur draagt bij aan de overlevingskansen van individuen die tot die cultuur behoren. Een extreem voorbeeld is de militaire organisatie. Deze hoge mate van gelijkvormigheid herkent men aan het dragen van hetzelfde uniform en het precies in de pas lopen. Het is een wijze van jezelf in elkaar herkennen door te constateren wat we met elkaar gemeen hebben. De vorm van de cultuur is daarbij relatief zoals het adoptievoorbeeld laat zien. Het gaat om de mate waarin die cultuur bij de individuen in jouw omgeving overeen komt. De verbindende functie van cultuur is belangrijker dan de absolute vorm; of je nou buigt of een hand geeft, het gaat om vertrouwen wat daarmee gecommuniceerd wordt. Deze intersubjectieve harmonisatie levert ons gemoedsrust op.

De “kennis” van de cultuur wordt een impliciet deel van ons zijn. Je bent voor een groot deel je cultuur. Dit is zo basaal dat mensen zich dit zich vaak niet realiseren. Het is iets wat onbewust doorwerkt in de gedragskeuzes die we maken. Het aantasten van persoonlijke waarden en normen kan bij  mensen met hun impliciete culturele kennis soms tot heftige emotionele reacties leiden. Als er geen gemeenschappelijk herkenbaar vertrouwenwekkend gedrag wordt gedeeld gaat wantrouwen de boventoon spelen in de communicatie.

 

Eigenzinnige overtuiging door afweer

Het vervelende voor GGZ-clienten is dat als ze zich anders gedragen ze zich daardoor niet begrepen voelen en/of vertrouwd worden. Afwijkend gedrag ontstaat op velerlei manieren waarbij de causalisteit over het onstaan er van zo complex is dat de client met een verhaal kan komen die de persoonlijke beleving weerspiegelt maar voor de omgeving niet meer te volgen is. Denk aan een kind dat wordt misbruikt. Men kan de omgeving niet vertrouwen, maar moet toch overleven in een gezin. Er ontstaan afweermechanismen om aan de pijn te ontsnappen. Dit kan bijvoorbeeld vluchten zijn: men loopt letterlijk weg. Lukt dat niet, dan kan men proberen van binnen te ontsnappen door een fantasiewereld op te bouwen. Of men kan zich enorm aanpassen aan de omgeving. Om die afweermechanismen in stand te houden, ontstaan innerlijke overtuigingen. ‘Als ik me nou maar aanpas komt het goed’. Of: ‘ik ga niet teveel in de fysieke wereld stappen, want dat is niet veilig.’ Deze overtuigingen zijn onbewust en breiden zich uit door nieuwe situaties die aan de pijn herinneren. Een vrouw die seksueel misbruikt is en intiem wordt benaderd door een man kan denken dat deze persoon iets slechts in de zin heeft. Dat kan zich uitbreiden naar alle mannen. Dat je zo vast houdt aan je eigen overtuiging komt omdat je die in een bepaalde mate intellectueel gaat legitmeren. Je maakt je eigen overtuigingen zo belangrijk dat je individueel daar op door gaat. Je kunt jezelf daarin moeilijk nog bijsturen. Ik ervaarde dat zelf in mijn psychoses. Je bent dan overgeleverd aan je individuele betekenisgeving en leefde in de illusie dat die als vanzelfsprekend bekend was bij de omgeving.

 

Ziekte als afstemmingsprobleem

Psychiater en filosoof Prof. Thomas Fuchs legt dit in zijn fenomenologische benadering van de psychopathalogie uit met een resonantie metafoor. Hij stelt dat een gezonde geest binnen bepaalde grenzen is afgestemd is op zijn omgeving. Je zou dit kunnen vergelijken met het afstemmen van een oude radio op een bepaalde zender door een draaiknop. Wat mij opviel tijdens mijn vele psychoses was dat er een omgekeerd evenredige relatie is met betrekking tot de hoeveelheid informatie die binnen komt en de intensiteit waarmee de informatie binnen komt.

Aan de hand van figuur 1 demonstreer ik dat grafisch, waarbij verticaal de mate van gevoelsintensiteit word uitgezet en horizontaal de hoeveelheid te verwerken informatie bij een bepaalde intensiteit.

 

Manie

Normaal referentie

Depressie


Figuur 1.

 

De bovenste curve aangegeven met manie tref je mogelijk aan als gedrag tijdens verliefdheid. Dit kenmerkt zich door een hoge gevoelsintensiteit die we bijna allemaal wel eens hebben ervaren. De ander is de meest geweldige persoon op aarde. Je negeert signalen dat die ander ook maar een gewoon persoon is. Met andere woorden: de hoeveelheid informatie in de horizontale dimensie is beperkt of de bandbreedte aan informatie is smal. De onderste curve representeerd depressie. Je bent niet gelukkig in je huwelijk. Er is sprake van een lage gevoelsintensiteit; je waardeert je partner niet. Een lage gevoelsintensiteit houdt in dat het je niet beloont. Door bindende afspraken uit het verleden voelt de situatie als een gevangenis. Er komt echter wel veel informatie binnen, want je zit te piekeren hoe je hier uit kan komen. Bij de middelste curve is sprake van een gezonde geest. Het laat voldoende informatie binnen om realistisch te kunnen blijven. En de intensiteit is niet te hoog of te laag, waardoor de binnenkomende informatie met een gezonde gemoedsrust ervaren wordt.

De belcurve figuur is ook een representatie van een frequentie filter. De relatie met resonantie zoals die door Thomas Fuchs is geintroduceerd word gerechtvaardigd doordat in de wiskunde de relatie tussen vorm, zoals informatie kan worden geïnterpreteerd, en frequentie algemeen bekend is als fourier transformatie maar dit leidt binnen de context van dit stuk inhoudelijk te ver en ga hier om die reden niet dieper op in.

Een psychose kan in deze metafoor gezien worden als een te hoge kwalitatieve afstemming op de omgeving. Je laat je persoonlijke theorievorming leiden door je persoonlijke beloningsgevoel. De emotionele component heeft hier de overhand ten opzichte van de reele afstemming op de omgeving. Dit kan begrepen worden als emotie versterkende feedback die het niet willen conformeren aan je omgeving stimuleert. Je eigen theorie zie je als de waarheid en de emotionele beleving werkt daarin bevestigend. Als mens ken je de buitenwereld ook niet echt. Wat je ziet is een interpretatie in je hoofd. De zintuigen stellen wel bij, maar het blijft jouw interpretatie. En omdat je alleen maar gelooft in je eigen overtuiging, beperk je de hoeveelheid informatie die je toelaat. Je ziet ook vaak dat mensen boos worden als je hun waandenkbeelden aan de kaak stelt. Je bedreigt dan het ideaalbeeld.

 


Cultuur en moraal

Het afstemmen op de omgeving is in hoge mate een kwalitatieve afstemming. Kwalitatieve afstemming is mogelijk omdat je over a priori herinneringen beschikt over hoe je de te ontvangen informatie kwalitatief kunt beoordelen. Een voorbeeld hiervan is iemand die altijd blind is geweest en plotseling door een operatie weer kan zien. Die weet niet direct hoe hij zijn omgeving visueel moet interpreteren. Om dit te kunnen heeft de blinde namelijk apriori visuele concepten nodig die hij als blinde nooit heeft leren aanmaken. Analoog hieraan kun je beargumenteren dat je gehele persoonlijkheid bestaat uit a priori herinneringen. Deze herinneringen bestaan uit de verzameling van culturele concepten die tijdens je opvoeding tot stand zijn gekomen. Deze verzameling culturele concepten moet voor een gezonde geest in overeenstemming zijn met de collectieve moraal.

Zo beschrijft Pirisig in zijn eerste boek ‘Zen in de kunst van het moteronderhoud’ hoe hij door zijn onderzoek naar waarden vervreemd raakte van de maatschappij. In zijn tweede boek ‘Lila’ vindt Pirsig zijn weg in de samenleving terug door logisch redeneren. Door zich voortdurend af te vragen waarom en hoe wij elkaar in onze sociale omgang waarderen, komt hij tot een morele hiërarchie. Deze morele rangorde is inmiddels academisch getoetst op logische consistentie. Er is promotieonderzoek naar gedaan door Dr. Anthony Mcwatt aan de Universiteit van Liverpool. In figuur twee is de morele hiërarchie zichtbaar.

 

Figuur 2.

De anorganische wereld is in grote mate statisch en voorspelbaar. Hout is in het algemeen brandbaar en we kunnen ons daardoor warmen. We hebben collectief het vertrouwen dat de  wetten in de natuur door de tijd heen niet noemenswaardig zullen veranderen. In het biologische domein zijn we gedwogen tot overleven. We moeten voedsel vergaren en ons voortplanten. Er is bestaansonzekerheid. Door samen te werken worden de overlevingskansen vergroot. Dit is het sociale domein en dit uit zich voor een deel in cultuur. Wanneer deze geen antwoord heeft op bestaansonzekerheid worden we gedwongen een beroep te doen op ons individueel probleemoplossend vermogen. Dan hebben we het over het intellectueel domein.

 

 

Afstemmen van cultuur en moraal

In de ontwikkeling van inorganisch naar intellectueel wordt de wereld steeds dynamischer. Hout brandt over het algemeen wel. Biologische parameters kunnen al wat meer fluctueren. Sociale wetten kunnen verschillen per samenleving en intellectuele oplossingen zijn vaak zeer persoonlijk. Voor de populatie zijn de sociale- en biologische ofwel organische waarden echter veel belangrijker voor het overleven dan de intellectuele en fysieke waarden. Dit laat zich zien in de normaalverdeling van figuur drie.

 

Figuur 3.

Fysieke waarden zoals dat hout morgen ook nog brand, zijn voor iedereen zo vanzelfsprekend dat we daar weinig aandacht aan besteden. Intellectuele of individuele oplossingen zijn vaak alleen voor de persoon in kwestie van belang. De kans dat het individuele intellectuele oplossingen als sociaal-culturele waarden worden overgenomen is daardoor gering. Je zult dus je individuele waarden enigszins moeten afstemmen op de cultuur waarin je leeft. Hoe je dat kunt doen laat zich uitleggen door de normaalverdeling van de individuele kwalitatieve afstemming van Fuchs naast de normaalverdeling van de morele rangorde van Pirsig te zetten, zoals in figuur4.

 

Figuur 4.

Rechts is te zien hoe men zich kan afstemmen op de omgeving door een gezonde verhouding tussen de interpretatie van de informatie uit de empirie en de mate van gevoelsintensiteit. Deze afstemming kan worden geleid door binnen de grenzen te blijven van de gedeelde culturele moraal, zoals Pirsig die beschrijft in het plaatje aan de linkerkant van figuur vier. De Balans word gerepresenteerd door de circel waarbinnen je stabiel kunt blijven. Binnen de circel blijf je als zelfregulerende psyche binnen je eigen haalbare regelbandbreedte. De rand van de cirkel representeerd een tippingpoint zoals onderzocht door Dr. Peter Groot, waar het zelfregulatie proces buiten zijn haalbare bandbreedte zijn zelfregulerende eigenschappen gaat verliezen. Buiten de circel kunnen de psychopathologische verschijnselen gaan optreden.

 

 

De recursieve onderzoekshouding


Bij het afstemmen van jezelf op de sociale omgeving is de recursieve onderzoekshouding (Van Dijkum, 1988) behulpzaam. Zie figuur vijf.

Figuur 5.

Hierbij staat theorie voor de levensovertuiging; het beeld van jezelf en de omgeving. Dit wordt voortdurend bijgesteld door nieuwe gebeurtenissen. Empirie staat voor gebeurtenissen of informatie uit de omgeving. De manier waarop je feiten interpreteert is afhankelijk van je theorie over de wereld. De wisselwerking tussen empirie en theorie geeft een bepaalde regeldynamiek. De regeldynamiek heeft invloed op je gevoelsintensiteit. Door regeldynamiek probeer je tot een gemiddelde gevoelsintensiteit te komen. Als theorie en empirie goed corresponderen valt er weinig te regelen en is er dus ook niet veel stress. Bij een grote afwijking tussen theorie en empirie onstaat er een hogere regeldynamiek waarbij je je niet op je gemak voelt en de kans loopt buiten het eerder genoemde tipping point te geraken. Dit is dan aanleiding om de theorie, je levensovertuiging aan te passen. Dat is vaak moeilijk, want er is vertrouwdheid met hoe je de wereld al zag.

Dat begint al bij de geboorte als een baby een tik op de billen krijgt als het niet vanuit zichzelf gaat schreeuwen. Doordat de baby zichzelf zo als geluidssensatie beleeft,  komt de eerste zintuigelijke recursieve loop tot stand. Door te experimenten leren kinderen zichzelf verder kennen. Bijvoorbeeld door zichzelf te knijpen wat een pijnlijk gevoel geeft. Of door te bewegen in de spiegel en zo zichzelf te herkennen. Later vertelt de sociale omgeving welke regels er zijn binnen de eigen cultuur. Daarbinnen is ruimte voor het ontwikkelen van een eigen identiteit die met deze cultuur meer of minder mee in overeenstemming is. Dit wordt beinvloed door ingrijpende gebeurtenissen of specifieke gevoeligheden.  

Verandering van de cultuur gaat daarbij langzaam, bijvoorbeeld de emancipathie van vrouwen of homoseksuelen. De emancipatie en participatie van de (ex)cliënt is daarbij fundamenteel anders. Vrouwen of homosexuelen vormen met hun gedrag geen fundamentele bedreiging meer voor het onderlinge vertrouwen in de samenleving. Ten opzichte van de psychiatrische client bestaat er echter wel een geldige reden voor wantrouwen. Men heeft zich immers raar gedragen tijdens de uiting van de ziekte. Het blijven verlangen naar begrip van de normale cultuur voor psychiatrische clienten heeft daarom weinig zin.

 

 

Participerend observeren

De client moet leren inzien dat de begrips-kloof tussen normaal en psychiatrisch in de realiteit onoverbrugbaar is. Het maken van verwijten aan het adres van de normale cultuur versterkt de polarisatie alleen maar, omdat het vooroordelen bevestigt. De cliënt moet leren inzien dat hij of zij zelf naar de samenleving toe moet groeien. Een ervaringsdeskundige kan als cultureel antropoloog in eigen cultuur een client terugbrengen naar de samenleving door hem te leren de eigen cultuur vanaf metaniveau te aanschouwen. Via logisch verdedigbare en pragmatische argumenten leert men de client zich op een constructieve manier te verzoenen met de polariserende en stigmatiserende ervaringen uit het verleden. De gevestigde, vaak lineair contolerend opererende instituties maken het de client daarin vaak niet gemakkelijk. De op non-lineaire eigenschappen gebaseerde zelfregulerende intuitieve orientatie van de client word daardoor vaak door goed bedoelende vaak lineair opererende professionals niet begrepen. Dit kan beter overgenomen worden door ervaringsdeskundigen die deze reden voor onbegrip wel meester zijn.

Begrip voor de normale cultuur ontstaat zo met het inzicht hoe cultuur zich vormt rondom het begrip vertrouwen. Omdat de culturele regels impliciet zijn kan het aantasten van persoonlijke waarden en normen bij mensen soms tot heftige emotionele reacties leiden. Mölders H. Multiloog: Sprakeloosheid overwinnen Als je weet dat mensen dit intuïtief doen kun je eerder begrip hebben voor de stigmatiserende afwijzingen. Men kan leren inzien dat zijn of haar verwarde gedrag uit het verleden terecht heeft geleid tot wantrouwen. Een goede techniek daarbij is die van participerende observatie. Dat betekent dat je deelneemt aan een bepaalde cultuur maar dat men tegelijk waarnemer is van zowel zichzelf als de cultuur. Men neemt een zekere afstand tot de eigen emoties en gebeurtenissen in de omgeving. Je bent zowel deelnemer als observator.

Je kunt hiermee beginnen door te oefenen met rollenspelen (Pijpers, www.anka-psy.nl). Door een recursieve onderzoekshouding aan te nemen gaat men opnieuw experimenteren met de omgeving. Men leert weer een open nieuwsgierige houding naar de wereld aan te nemen, zoals in het wijsheidsmodel Herman Snijders wordt aanbevolen. Vervolgens kan men nieuwe culturen opzoeken zoals vrijwilligerswerk of een hobby waarbij men deelneemt aan een nieuwe sociale omgeving. Door regelmatig te experimenteren met een nieuwe sociale omgeving leert men de betrekkelijkheid van die cultuur en de eigen reacties daarop in te zien. Je leert je op die manier je regel-dynamiek te verfijnen, waardoor je je beter kun aanpassen aan de gangbare comfortzone. Je zoekt zo weer naar gemeenschappelijkheid, waarin het onderlinge vertrouwen kan groeien.

 

 

Literatuur

 

Mölders H. Multiloog: Sprakeloosheid overwinnen. In Versterkende Gesprekken. Redactie Wouter van de Graaf, Mark Jansen, Heinz Molders. Uitgeverij Tobi Vroegh. Amsterdam. 2012

Van Dijkum, C., (1988) Spelen met onderzoek. Naar een nieuwe methodologie.Uitgeverij Boom Amsterdam

Pirsig, R. M., (1991) Lila. Een onderzoek naar zeden. Uitgeverij Ooievaar.

Glover, D., Annotations by Pirsig, R. M. (2003) Lila’s child. An inquiry into quality. Publisher 1st Books.

McWatt, A., Phd.(November 2004) A critical analysis of Robert Pirsig’s metaphisics of quality. University of liverpool.

Kester, M., (Juli 2014) Gewonnen dagen. Medical Anthropology & Sociology Thesis. UvA Amsterdam

M. MitchellWaldrop, De rand van chaos. Contact, Amsterdam.

Libbrecht, Ulrich, (1995), Inleiding in de comperatieve filosofie. Opzet en ontwikkeling van een comperatief model. Van Gorcum, Assen.

Rats, E. R. J. (juni 2005) Psychose als chaos fenomeen. Deviant Nr. 45

Fuchs, T. , (2012) Critical Neuroscience. A Handbook of the Social and cultural contexts of neuroscience. Chapter 16 Are mental illnesses diseases of the brain? Blackwell Publishing.

Groot, P. Tipping point,  De cliënt-onderzoeker krijgt grip op zijn depressie http://informahealthcare.com/doi/abs/10.3109/09638237.2010.494188

Huber, M. (2013) Health as the ability to adapt and selfmanage.

Pijpers, www.anka-psy.nl. Ik heb zelf rollenspelen ervaren onder zijn leiding.

Herman Snijders, wijsheidsonderzoek Ervaringswijzer.