Op je gezondheid

Vind je weg tussen vertrouwen en kritisch denken

De adviezen vliegen je om de oren. Je dokter schrijft pillen voor, een YouTube-influencer zweert bij koud douchen en je buurman raadt kurkuma aan. Hoe bepaal jij wat je vertrouwt en wanneer je verder zoekt?

In bijeenkomsten van Ervaringswijzer spraken we over gezondheid, zorg, wantrouwen, intuïtie en eigen onderzoek. Het woord iatrogenese kwam voorbij. Dat betekent: schade die ontstaat door medisch handelen of door de zorg zelf. Dat kan klein zijn, zoals een bijwerking van medicijnen, maar ook ernstig, zoals een verkeerde diagnose, complicatie of behandeling die achteraf schadelijk blijkt. In sommige onderzoeken wordt genoemd dat ongeveer 12 procent van ziekenhuispatiënten te maken krijgt met een vorm van zorggerelateerde schade. Dat is ongeveer 1 op de 8 mensen.

Daarmee is niet gezegd dat zorg slecht is. Integendeel: soms redt zorg je leven. Maar het maakt wel duidelijk dat blind vertrouwen niet altijd verstandig is. Tegelijk kan alleen maar wantrouwen je ook vastzetten. Daarom onderzochten we de polariteit:

Vertrouwen ↔ Kritisch denken

Vertrouwen helpt je om open te staan voor kennis, ervaring en expertise van anderen. Je hoeft niet alles zelf uit te zoeken. Je kunt leren van artsen, therapeuten, wetenschappers en mensen die ergens veel ervaring mee hebben. Vertrouwen geeft veiligheid en maakt samenwerking mogelijk.

Maar vertrouwen kan doorschieten. Dan wordt het blind volgen. Je wordt afhankelijk van autoriteiten, negeert je eigen ervaring of voelt niet meer goed aan wat wel en niet klopt.

Kritisch denken helpt je om vragen te stellen, zelf onderzoek te doen en nieuwsgierig te blijven. Het beschermt tegen misleiding, tunnelvisie en mooie praatjes.

Maar ook kritisch denken kan doorschieten. Dan wordt alles verdacht. Je stelt alles ter discussie, vertrouwt niemand meer en kunt verdwalen in alternatieve waarheden, goeroes of complottheorieën.

De wijsheid zit dus niet in één kant kiezen, maar in de vraag:

Hoe blijf je nieuwsgierig zonder alles te geloven, en open zonder alles te vertrouwen?

In het gesprek zei iemand: “Je moet op je intuïtie afgaan. Je voelt vaak aan of je iemand kan vertrouwen, maar je laat je toch overhalen. Vaak omdat je denkt dat je iets nodig hebt. Wat ik geleerd heb: je hebt niks nodig van een ander. Wat een mooie verhalen die ook vertelt.”

Iemand anders haakte daarop in: “Het schijnt dat je ook hersencellen hebt in je buik. Dus het heet niet voor niks gutfeeling.” Een ander vulde aan: “En in je hart.” Zo ontstond het beeld van hoofd, hart en buik. “Die moeten in balans zijn,” zei iemand. “Als je het niet vertrouwt, moet je je hoofd gebruiken en dingen uitzoeken.”

Maar dat is niet altijd makkelijk. Iemand vertelde over een coach aan wie duizenden euro’s vooraf betaald moesten worden. “Ik voelde al dat het niet klopte, maar ik deed het toch, uit een soort please-gedrag.” Een ander zei droog: “Dat is ook lesgeld dat je betaald hebt om op je intuïtie af te gaan.” Waarop iemand toevoegde: “Ja, dat zei een vriend van mij ook. Die is duizenden euro’s kwijtgeraakt aan een sjamaan.”

Niet iedereen vertrouwde op intuïtie. “Ik doe niet aan intuïtie,” zei iemand. “Ik vraag altijd door: waarom? En als die ander het niet kan uitleggen, ga ik ervan uit dat hij het niet weet.” Maar ook wetenschap werd niet zomaar heilig verklaard. “Tegenwoordig moet alles evidence based zijn. Maar dan ga je uit van een laboratorium waarin omstandigheden gelijk worden gehouden. Alleen het leven kent allerlei omstandigheden en factoren die je niet gelijk kunt houden.”

Een diploma bleek ook niet automatisch vertrouwen te geven. “Mijn vader was psycholoog, maar hij sloeg me wel. Dat heeft me enige reserve gegeven naar mensen met een diploma. Hij werkte met TBS’ers. Mijn gevoel is steeds meer mijn kompas.”

Tegelijk kwam er ook een duidelijke waarschuwing tegen het zomaar loslaten van reguliere zorg. Iemand vertelde: “Ik gebruik een antipsychoticum. Dat haalt de scherpe randjes eraf. Drie keer ben ik gestopt op advies van een healer, een chiropractor en een natuurgeneeskundige. Maar steeds ging het mis als ik ze niet meer slikte. Dan ontspoor ik.”

Daar zat precies de spanning van het gesprek: soms moet je kritisch zijn op medicijnen, maar soms heb je ze ook echt nodig.

Over medicijnen werd gezegd: “Er zit iets raars in dat geneeskunde ‘medicijnen’ is geworden. Veel middeltjes uit de natuur, daar hoor je niet meer van, want daar verdienen de pillenfabrikanten niet aan. En medicijnen worden vaak gebruikt om symptomen te bestrijden.”

Iemand anders had juist baat bij een andere kijk op pijn. “Ik had last van zenuwpijnen. Toen kwam ik op het spoor van Dr. Sarno. Die zei: laat los wat de arts je verteld heeft. Ik heb nog steeds wel enige pijn, maar ik hoef geen pijnstillers meer te gebruiken.”

Ook placebo kwam langs. “Veel is placebo. Maar dat is niet per se nep. Het zijn ook je overtuigingen.” Daarbij kwam een verhaal over Jomanda. “Mijn moeder ging naar Jomanda. Daarna had ze geen last meer van een trillend oog, want ze had een foto van Jomanda onder haar kussen. Ik zei: dat is onzin. Daarmee verbrak ik haar geloof en toen kreeg ze weer een trillend oog. Ik had daar veel spijt van.”

Er werd ook breder gekeken naar ziekte. “Ziekte is een normale reactie op een abnormale toestand,” zei iemand. “Je lichaam heeft constant kanker, alleen met een gezond immuunsysteem kan je lichaam dat aan. Dan heb je wel gezond voedsel nodig, en niet een maaltijd van Knorr.”

Corona kwam ook voorbij. Iemand zei: “Ik heb ervaren dat het een serieus virus was, maar ik beredeneerde dat de natuur zo’n virus niet zou maken. Een virus zoekt een host om in te overleven.”

Over spiritualiteit werd met zowel interesse als argwaan gesproken. “Ik denk dat het spirituele vooral een sociale functie heeft. Samen een ritueel uitvoeren maakt het individu niet sterker. En veel spirituele leiders zijn vampathen, ze parasiteren op jouw energie.” Daarna kwam er een scherpe observatie: “Helaas fungeert de wetenschap ook steeds meer als kerk.”

De medische wereld zelf riep gemengde ervaringen op. Iemand vertelde: “Ik ben een keer gevlucht uit het ziekenhuis met een gebroken been. In het systeem stond het verkeerde been geregistreerd. Ik zei dat, maar toen ik na een paar dagen checkte stond het nog steeds verkeerd.”

Toch zei iemand anders: “Soms heb je de ruimte niet om te denken. Je wilt vertrouwen op instanties.”

Maar te veel zelf onderzoeken kan ook verlammend werken. “Ik doe altijd eerst heel veel onderzoek, maar dan verdwaal ik en doe ik er niks mee. Het proces van onderzoeken is al zo moeilijk. Ik heb al jaren last van mijn voeten. Er is zoveel informatie.”

Anderen herkenden juist vermijding. “Ik ben eerder een vermijder. Pas als ik echt last heb, ga ik naar de dokter. Maar die zijn gewend dat mensen snel klagen.” Een ander vertelde over de tandarts: “Ik heb als kind angst voor de tandarts ontwikkeld. Die man had handen als kolenschoppen en ouderwetse apparatuur, echt antiek uit de jaren vijftig. En dan ook nog dat harde van: stel je niet aan. Pas op mijn veertigste durfde ik weer naar de tandarts. Ik ga niet naar de jaarlijkse controle. Ook niet naar de mondhygiënist. Ik vermijd zorg.”

Iemand zei kort: “Ik ga niet snel naar de huisarts. Ik heb het idee dat ze me niet begrijpen.”

Toch was er ook mildheid naar dokters. “Ik denk wel dat veel dokters mensen willen helpen, maar ze zitten ook in een systeem.” Dat systeem werd door meerdere mensen herkend. “Je zit in een kamer met iemand die je superslecht nieuws vertelt, je krijgt een flyer en je moet gaan. Het is de bedoeling dat je het elders verwerkt.”

“De trend is nu: heb je een psycholoog nodig, dan verwijs ik je door.”

Iemand zei: “Ze kunnen niet empathie hebben voor iedereen.” Een ander: “Het lijkt me dat je op den duur ook afgestompt raakt.” Weer iemand anders keek psychologisch naar de beroepskeuze: “Mensen worden ook dokter omdat ze controle willen hebben over het leven.”

Daarop kwam een belangrijke nuancering: “Er zijn ook goede. Maar je gaat een systeem in dat kostenefficiënt moet zijn. Ik heb wel vertrouwen in de mens, maar mensen verliezen zich in het systeem.”

Misschien was dat wel een kernzin van het gesprek: vertrouwen in mensen, maar niet blind in systemen.

“We hebben ze nodig,” zei iemand, “maar ga er niet heen voor geestelijke ondersteuning.”

Aan het eind werd het gesprek nog groter. “Wij zijn toch allemaal het systeem,” zei iemand. En iemand anders: “Het systeem gaat ervan uit dat iedereen gemiddeld is.” Er werd ook gekeken naar geld en verdeling: “Er is niet te weinig geld, de verdeling is niet goed.”

De laatste zin bracht het gesprek terug naar eenvoud:

“Je zorgt toch voor elkaar.”

Misschien ligt daar de wijsheid tussen vertrouwen en kritisch denken. Niet alles geloven. Niet alles wantrouwen. Je eigen gevoel serieus nemen. Vragen blijven stellen. Hulp zoeken waar dat nodig is. En tegelijk blijven zien dat gezondheid niet alleen iets individueels is.

Het gaat ook over de vraag wat voor samenleving we met elkaar maken.

En misschien begint dat soms heel klein:

bij iemand die zegt:
“Ik vertrouw dit niet helemaal.”
Of:
“Ik weet het niet.”
Of:
“Kun je even met me meekijken?”