“Aanpassingsdans tussen mij en de maatschappij”

Coen (33) kampt sinds zijn jeugd met een vervormd zelfbeeld. Dit gaf hem inzicht in vervormingen in de samenleving, die deelname eraan moeilijk maken. Zijn oplossing is een dans waarbij individu en maatschappij steeds dichter naar elkaar toe bewegen.  

Tot mijn twaalfde deed ik op veel vlakken goed mee. Ik groeide op in Amsterdam Zuid in een warm gezin. Ik had een grote vriendenkring. Ik zag er volgens mijn omgeving schattig uit en in de eerste werd ik gelijk geadopteerd door zesdeklassers: ‘Hé Coentje’. In een opzicht was ik echter duidelijk anders: als ik in de spiegel keek, zag ik mijn gezicht vervormen. Soms bleef ik daardoor nieuwsgierig even staan voor de spiegel, en als ik was uitgekeken speelde ik rustig weer verder. Ik vroeg mijn moeder er wel eens naar, maar die begreep niet waar ik het over had. 

Waarschijnlijk heb ik door deze hallucinaties een minder stabiel zelfbeeld. Een fase die bij je ontwikkeling hoort, is dat je jezelf in de spiegel herkent. Dat proces van ‘dat ben ik’ is bij mij anders verlopen. Mijn spiegelbeeld was fluïde. Ik vergeleek het niet zo met andere kinderen. Het was ook een beetje secretive. Er was daar een spanning, een kracht, die me verleidde. Ik wilde het in mijn eentje oplossen. Ik vond het nooit eng in die tijd. 

Hallucinatie kreeg macht

Dat veranderde tijdens een jeugdkamp op mijn twaalfde. Ik was op mijn kamer en het raam stond open. Buiten hoorde ik dat er over mij gepraat werd door twee dames. Een vond mij interessant, omdat ik er leuk uitzag, terwijl de ander dat juist niet vond. In de spiegel, later op de avond, zag ik mijn hoofd veel extremer vervormen dan normaal, tot een monsterlijk gezicht. Ik was er misselijk van en kotste de hele slaapzaal onder. Het leek wel of er een ziektekiem in gekomen was. De hallucinatie had macht over mij gekregen.  Er was een connectie ontstaan tussen wat anderen van mij vonden en mijn spiegelbeeld. En in de puberteit is het belangrijk wat anderen van je vinden. Het vanzelfsprekende meedoen was voorbij.  

Ik begon te denken dat het anderen opviel, als mijn gezicht vervormde. Bijvoorbeeld als mensen me lang aankeken. Dat ze me dan monsterlijk vonden en me kwaad wilden doen. Om mezelf te beschermen moest ik er normaal uitzien. Ik stond uren voor spiegels om mijn gezicht goed te krijgen. Ik ontwikkelde allerlei dwangneuroses om mijn uiterlijk te controleren. Ik moest om kwart voor elf het licht uitdoen, anders zou mijn gezicht vervormd zijn. Op schoolkamp trok ik soms een deken over mijn hoofd. Mijn klasgenoten dachten dat het een spelletje was. 

Schisma in de psychose 

Ik telde voor de spiegel wanneer mijn gezicht vervormde en weer normaal was. Bijvoorbeeld drie seconden goed, vijf seconden slecht en twee seconden goed. Als ik dan mensen ontmoette keek ik ze drie seconden aan, dan vijf seconden weg en vervolgens weer twee seconden aan. Een aantal vriendinnen dachten daardoor dat ik arrogant was. Ik wist van elke spiegel in school wanneer het rustig genoeg was om er ongezien te staan. Als ik thuis kwam rende ik direct naar spiegel in de badkamer. Het was een gevecht tussen mij en mijn zussen, die waarschijnlijk dachten dat ik daar stond te masturberen. Die psychotische episode duurde vier jaar. 

Ik kreeg er weer zicht op door een gesprek met mijn moeder. Ze vroeg een keer waarom ik mijn capuchon nog op had. Ik zei: “Doe niet zo flauw, je ziet het toch.” Ik was ervan overtuigd dat ze wist wat er aan de hand was. Ik werd boos en noemde allerlei voorbeelden. “Heb je niet een klein beetje twijfel”, antwoordde ze. Dat zette me aan het denken, want ik kon me niet voorstellen dat mijn moeder zou liegen. Er kwam een schisma in de psychose. De hallucinatie was er nog, maar ergens werd de optie geboren dat het heel misschien geen realiteit was voor andere mensen. 

Tussen waan en werkelijkheid 

Dit besef maakte alles moeilijker. Mijn wereldbeeld klopte toen ik nog in mijn psychose geloofde. Nu de waan gebroken was, ging ik ontiegelijk twijfelen over alles. Ik leef sindsdien tussen waan en werkelijkheid. Af en toe probeer ik mijn waarnemingen te toetsen aan de buitenwereld. Dan vraag ik aan mensen of ze iets aan mijn hoofd zien. Probleem is alleen dat het niet altijd helpt om mijn waan te doorzien. Omdat ik dan bijvoorbeeld denk dat ze het ontkennen om mij te beschermen. En dat het echte bewijs een toevallige blik is. Dat geeft veel ruimte voor interpretatie natuurlijk.  

Mijn pogingen om de waan te controleren kostten veel energie. De constante hallucinaties en pogingen tot controle maakte mijn hoofd van tijd tot tijd zo uitgeput en beurs dat ik haast niks meer begreep en zelfs opnieuw moest leren lezen. Het putte me uit en ik werd depressief. Dat heeft meerdere keren tot een opname geleid in een klinieken. Ik kon er niet van winnen, maar ook niet op een andere manier mee omgaan. Of mijn hoofd vervormt, lijkt at random te gebeuren. Soms gaat er stress aan vooraf en soms blijdschap. Ik kan het niet vangen. Met de meest gezonde levensstijl zou ik nog steeds hallucineren. De beste manier om er mee om te gaan is waarschijnlijk om er weer naar te kijken zoals in mijn jeugd; er geen oordeel over hebben. 

Wereld als gedeelde hallucinatie 

Ik probeer vaak exposure response prevention op mezelf toe te passen: je gaat je angst dan juist aan. Het idee erachter is dat je gaat ervaren dat het vanzelf weer afzakt. Ik ging ondanks een vervormd hoofd toch naar buiten. Als mensen me dan lijken te negeren of juist overdreven aankijken, probeer ik me te bedenken dat het niet waar is. Dat het een oud patroon is waarmee ik de wereld probeer te begrijpen. Ik probeer de angst en bijbehorende gedachten dan te negeren. 

Mijn psychotische ervaringen hebben mijn kijk op de samenleving gescherpt. Ik ben jarenlang geobsedeerd geweest over de vraag of wat ik zie waar is. En als ik dan naar de wereld kijk, denk ik dat we voor een deel in een gedeelde hallucinatie zitten. Wat we zien is vervormd doordat we dagelijks een grote portie onrealistische mensbeelden meekrijgen vanuit de media. Het uiterlijk speelt daarin een grote rol. In mijn tijd was het summum als je op Nick Carter van de Backstreet Boys leek. Dat waren de mooiboys voor de meisjes in de klas in Amsterdam-Zuid. 

Geluk afhankelijk van dingen 

Wat mooi of lelijk is, wordt echter grotendeels bepaald door de cultuur. De filosoof Guy Debord vertelt in zijn La Société du spectacle (1967) hoe we ons leven vormgeven aan de hand van gecreëerde beelden die niet echt zijn. Het geluk wordt verbonden aan producten die we consumeren. Uiterlijkheden worden gekoppeld aan een succesvol leven. Modebedrijven maken reclame met mensen die zo gefotoshopt zijn, dat ze niet kunnen bestaan. Sexy dames die met onnatuurlijk lange benen in een luxe auto stappen. Zo wordt van die auto een statussymbool gemaakt. 

Daarmee maken we ons levensgeluk afhankelijk. De filosoof Rousseau onderscheidde twee soorten liefde. Amour de soi is de onvoorwaardelijke liefde zoals je dat als kind nog ervaart. Amour-propre is de liefde die we verkrijgen door goedkeuring van anderen. In onze materialistische cultuur wordt ons verteld dat we voor ons geluk afhankelijk zijn van dingen buiten onszelf. Dat is heel onstabiel. Je merkt dat het je niet echt vervult. Je hebt telkens weer iets nieuws nodig. 

Esthetiek gekoppeld aan egoïsme 

Het willen verkrijgen van geluk buiten ons, maakt dat we gaan rennen. Je moet goede cijfers halen om bij een bepaalde baan uit te komen. Veelal werk waar we ongelukkig van worden. Vanuit het idee dat we boven de natuur staan gedragen ons parasitair naar de leefomgeving. We houden geen rekening met de verwoesting en het afval die al die mooie spullen opleveren. Dat zorgt voor een disbalans in het ecosysteem waardoor onze eigen levensbodem niet meer veilig is. De wereld wordt verwoest door het esthetische te koppelen aan egoïsme. Wat in de grond lelijk gedrag is, wordt gekoppeld aan een mooi uiterlijk. 

Het is om van te schreeuwen dat veel factoren van de samenleving zo ongezond zijn. Om mee te doen moet je je aanpassen aan een samenleving die op onderdelen slecht is voor jou als mens. Toch moet je meedoen, want het is koud daarbuiten. Voor je eigen welzijn is het belangrijk om verbonden te zijn.. Het valt niet te verwachten dat de maatschappij zich helemaal aan mij aanpast en omgekeerd. Toch heb je elkaar nodig. Dat is extreem gekmakend. 

Aanpassingsdans 

Als oplossing zie ik een ‘aanpassingsdans’, zoals ik dat noem. Stapjes die je doet naar de samenleving en de samenleving weer naar jou. Er was een periode dat ik niet meer mee wilde doen met consumeren. Ik had er een afkeer van gekregen. Ik kocht geen nieuwe kleren meer. Daardoor zag ik er een tijd behoorlijk onverzorgd uit. Mensen stoten je dan af. Ik ben toen weer gaan consumeren. Maar met beter verantwoorde producten. Mijn zusje heeft me geholpen met shoppen. 

Omgekeerd probeer ik de samenleving zich aan te laten passen. Bijvoorbeeld door aandacht te geven aan producten die niet gemaakt zijn door mensen onder erbarmelijke omstandigheden. Ik heb een website adapt.coenstler.nl gemaakt die deze producten makkelijker vindbaar maakt. Aanpassing van reclame ethiek zou ook helpen. Dat we enkel reclame maken voor producten die niet een hele onevenwichtige balans met mens en natuur hebben. En die de daadwerkelijke waardes van een bedrijf of organisatie helder maken. 

Kunst zonder boodschap 

Ik ben opgeleid als beeldend kunstenaar en dacht hiermee bij te dragen. Maar de afgelopen donkere periode is een deel van mij gestorven, nadat ik verloren was geraakt in de krachten van de kunst. Als psychoticus heb ik een ‘talent’ om nieuwe verbanden te zien. In kunst kan dat een voordeel zijn, want creativiteit vraagt het zien van alternatieve mogelijkheden. Voor een normaal iemand is dat een uitstapje waarna die kan terugkeren naar een stabiele basis. Voor mij is het alsof ik midden in een meer van alternatieve waarheden wordt gedropt, waarin ik de kant niet meer kan zien.  Dat is een aantal malen verkeerd afgelopen. 

Ik ben aan het zoeken naar nieuwe plek voor mezelf in de samenleving. Ooit heb ik kunstwerken gemaakt over de achtergronden van de kledingindustrie. Zelf vond ik mijn naakte beelden een eyeopener, maar toeschouwers vonden het niet leuk om te zien. Je moet mensen een nieuwe optie bieden, voordat je een optie wegneemt. Daarnaast: kunstfilosofen betwijfelen of kunst een boodschap moet hebben. Een duidelijke boodschap zou non-ambivalent zijn en goede kunst ambivalent. 

Vrijheid om te verwoesten 

Uit mijn kunstproject met de naakte beelden, werd duidelijk dat mensen de waarheid niet willen zien. Daardoor neemt men geen verantwoordelijkheid. En de Autoriteit Consument en Markt heeft onlangs uitgesproken dat de consument het recht moet hebben om slechte producten te kiezen. We zouden gelaten moeten zijn over de verwoesting van de aarde, schrijft Wilhelm Schmid zelfs in zijn ‘Groene Levenskunst’ (2013). Het draait volgens hem om vrije keuze, omdat geluk vervlochten is met het zelf kunnen kiezen van je acties. 

Dit alles maakt mij duidelijk dat de samenleving therapie nodig heeft. Misschien kan ik dáár een rol in spelen. Ik voel me wat dat betreft geïnspireerd door de klimaatpsychologe Renee Lertzman. Zij beschrijft hoe we de klimaatangst, die ons passief maakt, kunnen omzetten in actie. Ik zie hier de noodzaak van in. Als het al niet te laat is, zoals diverse wetenschappers denken. Er zijn verschillende rampscenario’s mogelijk, maar daar wil ik niet aan toegeven. We kunnen nog steeds kiezen voor positieve mooie dingen. Die hoop wil ik blijven houden.  

tags: 

Lees de interviews: