Deze week onderzochten we de spanning tussen benoemen en niet-benoemen. Woorden kunnen helpen om te begrijpen wat er speelt, iets bespreekbaar te maken en in beweging te brengen. Maar woorden kunnen ons ook vastzetten of ervoor zorgen dat we te snel denken te weten wat iets betekent. Andersom kan iets openlaten ruimte geven om te voelen en te ontdekken, maar niet-benoemen kan ook een manier zijn om moeilijke dingen uit de weg te gaan.
Als je het benoemt, wordt het echt
Een deelnemer vertelde soms bang te zijn om iets te benoemen:
“Ik ben soms bang om iets te benoemen, omdat ik dan bang ben dat ik het juist in het leven roep. Of dat ik het in ieder geval groter maak.”
Daar bleek nog iets anders onder te zitten. Als je iets eenmaal hardop zegt, kun je er misschien niet meer omheen. Je moet er iets mee. Niet-benoemen kan daardoor ook een manier zijn om een confrontatie uit de weg te gaan.
Een andere deelnemer zag juist kracht in het hardop uitspreken:
“Benoemen heeft ook iets van own it: het is oké en ik zeg het ook nog hardop.”
Door iets te benoemen erken je dat het er is. Daardoor kan er iets in beweging komen. De ander kan reageren en er kan een gesprek ontstaan. Bovendien hoeft wat je zegt niet meteen definitief te zijn. Je kunt altijd terugkomen op je woorden.
Wat niet gezegd wordt, kan toch aanwezig zijn
Dat werd duidelijk in een verhaal over een familiegeheim. De oma van een deelnemer, inmiddels in de negentig, vertelde dat haar vader, die notaris was, ooit was opgepakt wegens malversatie. Dat was destijds een grote schande die de familie had beschadigd. Er werd daarna niet over gesproken.
“Toen mijn oma het vertelde, begreep ik haar beter. Jammer dat het nooit eerder naar buiten kwam. Je voelt dat er iets speelt, maar het wordt niet uitgesproken.”
De groep herkende dit ook bij andere pijnlijke onderwerpen, zoals misbruik. Verzwijgen zorgt er niet automatisch voor dat iets verdwijnt. Juist doordat er niet over gesproken wordt, kunnen ervaringen en patronen onbewust worden doorgegeven.
Een deelnemer had geprobeerd met zijn ouders over gebeurtenissen uit het verleden te praten. Zij antwoordden dat ze het niet meer wisten. Dat voelde onbevredigend:
“Het gaat mij niet om beschuldigen. En wat is er erg aan om toe te geven dat je niet beter wist?”
Benoemen hoeft dus niet hetzelfde te zijn als iemand beschuldigen. Het kan juist helpen om iets wat vastzit open te breken. Alleen het kunnen uitspreken kan al louterend werken.
Niet te snel denken dat je weet wat er speelt
Toch kwam ook de andere kant duidelijk naar voren. Benoemen is altijd een interpretatie. Wat je denkt dat er aan de hand is, kan anders blijken te zitten.
“Je moet dingen niet te snel invullen. Het kan altijd nog anders in elkaar zitten dan je denkt.”
Dat geldt zeker voor andere mensen. Iemand is bijvoorbeeld stil en je denkt dat diegene boos op je is. Later blijkt misschien dat er thuis iets vervelends is gebeurd. Door nog even niet te benoemen wat het gedrag van de ander betekent, houd je andere mogelijkheden open.
Soms moet je eerst voelen
Benoemen kan ook erg mentaal worden. Je kunt zo bezig zijn met het begrijpen en verklaren van een gevoel, dat je niet meer werkelijk voelt wat er gebeurt:
“Dan ben je zo bezig met wat je voelt en waarom, dat je vergeet het gewoon te voelen.”
Soms werkt de omgekeerde volgorde beter: eerst het gevoel toelaten en doorvoelen en pas daarna proberen het te begrijpen. Als het lichaam wat rustiger is geworden, kun je vaak ook helderder nadenken.
Een deelnemer vertelde dat stembevrijding daarbij helpt. Je hoeft dan nog niet precies te weten wat je voelt. Je geeft eerst geluid aan wat er in je lichaam gebeurt: een zucht, een “bah” of juist een vrolijk geluid.
“Door dat te doen kom ik er sneller achter wat me precies dwarszit.”
Daarmee ontstaat een interessante tussenweg: je geeft wel uiting aan een ervaring, maar je hoeft er nog niet meteen een naam of verklaring aan te geven.
Eerst welkom heten wat er is
Een terugkerend inzicht was dat een gevoel er eerst mag zijn. Als iemand bang is, helpt “Je hoeft niet bang te zijn” niet altijd. Het gevoel wordt daarmee eigenlijk afgewezen. De persoon kan zich er juist alleen mee voelen.
Een deelnemer vertelde thuis soms hardop te praten en te schelden. Ze ziet dit als haar innerlijke kind die ze als volwassene troos:
“Dan zeg ik tegen mijn innerlijk kind: scheld jij maar.”
Het boze deel krijgt zo ruimte zonder dat het de volledige regie hoeft over te nemen. Er ontstaat een onderscheid tussen het gevoel hebben en door het gevoel bepaald worden:
“Dan zie je wat het is en zie je ook de ruimte eromheen. Mijn lichaam wordt rustiger. Dan kan ik weer anders handelen.”
Een ander gebruikt iets vergelijkbaars wanneer iemand zegt: “Je zit in je hoofd.” In plaats van daartegen te vechten, zegt diegene tegen zichzelf:
“Zit jij maar lekker in je hoofd.”
Door iets eerst toe te laten, ontstaat soms vanzelf weer ruimte om te veranderen.
“Ik weet het niet” mag ook een antwoord zijn
Niet-benoemen kan ook bevrijdend zijn. Een deelnemer vertelde vroeger het idee te hebben overal een mening over te moeten hebben. Bijvoorbeeld wanneer iemand vroeg wat diegene van een politiek onderwerp vond.
“Nu zeg ik gewoon eerlijk: ik weet het niet. Dat is zo fijn. Ik hoef niet alles te weten.”
Niet weten is dan geen tekortkoming. Het betekent dat je jezelf niet dwingt om een standpunt in te nemen voordat je weet wat je ervan vindt; als je er sowieso al iets van zou moeten vinden.
Jezelf niet vastzetten met woorden
Woorden kunnen ook een verhaal over jezelf worden. Bijvoorbeeld:
“Zo ben ik nou eenmaal.”
Dat kan versterkt worden door een diagnose. Een deelnemer herinnerde zich een opmerking die juist ruimte gaf:
“Je hoeft je niet te gedragen naar je diagnose.”
Dat voelde bevrijdend. Een begrip kan helpen om jezelf te begrijpen, maar hoeft niet te bepalen wie je bent of wat je kunt.
Iemand vatte dat samen met de uitspraak:
“Het menu is niet de maaltijd.”
Woorden verwijzen naar onze ervaring, maar zijn niet de ervaring zelf. Je moet jezelf daarom niet in taal laten van vast laten leggen. Je mag op een besluit terugkomen als je voelt dat het toch anders in elkaar zit.
Samen woorden zoeken
Hoeveel je al moet kunnen benoemen voordat je met iemand praat, hangt ook af van de relatie. Bij collega’s en kennissen probeert een deelnemer eerst zelf helder te krijgen wat er speelt. Bij vrienden en familie kan dat anders:
“Dan kan ik wel vage gevoelens uitspreken en het langzaam meer duidelijk krijgen.”
Je hoeft dan niet te zeggen: “Dit is er aan de hand.” Je kunt ook vragend spreken: “Ik weet het niet helemaal, maar misschien speelt dit…” Daardoor blijft er ruimte om iets later anders te zien. Boosheid kan bijvoorbeeld bij nader inzien onzekerheid blijken te zijn.
De reactie van de ander is daarbij belangrijk. Mensen komen soms meteen met oplossingen en adviezen. Dat kan het juist moeilijker maken om te ontdekken wat je zelf ervaart.
“Soms wil je niet advies, maar gewoon je verhaal vertellen.”
Tegelijkertijd kan een ander wel iets toevoegen wat je zelf niet ziet. Iedereen kijkt vanuit zijn eigen denktunnel. Een ander kan een mogelijkheid zien waaraan jij nog helemaal niet had gedacht. En soms helpt niet eens wat iemand zegt, maar diens houding. Een deelnemer vertelde over iemand die stevig voor zichzelf opkomt:
“Ik neem een beetje van die kracht over.”
Niet alles hoeft uitgesproken te worden
De groep kwam ook tot de conclusie dat benoemen niet altijd betekent dat je iets met de ander moet bespreken. Als je bijvoorbeeld verliefd bent op iemand, hoeft het niet altijd passend te zijn om dat te vertellen. De ander heeft ook een eigen leven. Soms moet je een gevoel zelf dragen en ermee leren omgaan.
Daarmee kwam er nog een onderscheid naar voren: iets voor jezelf erkennen is iets anders dan het tegen een ander zeggen.
Als de reactie ontbreekt
Ten slotte kwam sociale media ter sprake. Daar wordt bijzonder duidelijk hoeveel ruimte er voor interpretatie ontstaat als informatie ontbreekt:
“Je stuurt iets en het blijft stil. Dat maakt me zó onzeker.”
Stilte kan van alles betekenen. Toch gaan we gemakkelijk zelf invullen wat de ander denkt. In een echt gesprek is er veel meer informatie:
“Zelfs als ze niks zeggen, verraadt hun gezicht of houding iets.”
Niet weten kan dus ruimte geven, maar het kan ook moeilijk zijn om die open ruimte te verdragen.
Tot slot
Uit het gesprek kwam geen eenvoudige voorkeur voor benoemen of niet-benoemen. Benoemen kan helderheid, erkenning en beweging geven, maar kan ook te snel vastleggen. Niet-benoemen kan ruimte geven om te voelen, niet te oordelen en nog niet te weten, maar kan ook omslaan in vermijden of verzwijgen.
Misschien zit de kunst daarom niet in zoveel mogelijk benoemen of zoveel mogelijk openlaten, maar in het herkennen van wat op dat moment nodig is: moet dit woorden krijgen, of mag ik het nog even niet weten?