Wat doe je, wat laat je gaan?
Spanning hoort bij het leven, maar hoe ga je ermee om? In deze workshop onderzochten we wanneer je iets kunt doen en wanneer het beter is om het te laten gaan.
CONTROLE HOUDEN
Wanneer spanning oploopt proberen mensen vaak grip te krijgen. Dat kan helpen: structuur aanbrengen, grenzen stellen of problemen aanpakken. Maar controle kan ook omslaan in krampachtig proberen jezelf, anderen of situaties te beheersen. In de workshop werd onderzocht hoe overtuigingen, ervaringen uit het verleden en angst voor afwijzing daarin een rol spelen.
Er werd veel gesproken over overtuigingen en de invloed daarvan op stress.
“Pas als je bewust bent van je overtuigingen kun je wat doen.”
“Je bent je overtuigingen niet.”
Een deelnemer vertelde hoe een hypnosesessie verborgen overtuigingen zichtbaar maakte:
“De therapeut schreef uitspraken op die ik zei onder hypnose. Blijkbaar zei ik: ‘ik ben het niet waard’. Dat had ik zelf niet eens door.”
“Maar ook concrete overtuigingen, zoals: ‘Als ik op reis ga, word ik ziek.’”
De overtuiging er niet bij te horen kwam vaak terug.
“De meest destructieve overtuiging is dat je er niet bij hoort.”
“Dan ben je geen waardig onderdeel van het grotere geheel.”
Daarop kwam de vraag:
“Maar wie bepaalt eigenlijk de waarde?”
Er werd besproken dat kinderen zich vaak moeten aanpassen om erbij te horen.
“Als kind moet je alles accepteren.”
“Ik moest mijn emoties onderdrukken om erbij te horen in het gezin. Daardoor werd ik ziek.”
“Doordat ik zelfliefde ging opbouwen, werd ik weer beter.”
Ook kwam naar voren hoe mensen soms bevestiging blijven zoeken bij omgevingen die hen juist afwijzen.
“Soms zoek je bevestiging bij wat jou afwijst. Daarmee probeer je een oude wond te herstellen.”
Autonomie werd genoemd als belangrijke stap in herstel.
“Door autonomer te worden en minder afhankelijk van je omgeving, ervaar je meer eigenwaarde.”
Tegelijkertijd werd gezegd:
“Je bent autonoom, maar ook onderdeel van je omgeving.”
Stress rondom oordeel en aandacht was voor veel mensen herkenbaar.
“Ik krijg stress van aandacht. Dan denk ik: kijk maar niet naar mij.”
“Ik let altijd op wat anderen van mij willen en dat doe ik dan.”
“Alsof ik de hele tijd bekeken word.”
Een ander vertelde:
“Ik was vroeger heel gevoelig voor waardeoordelen.”
“Na mijn diagnose werd ik door familie beoordeeld. Ik dacht: wat gebeurt hier?”
“Door na te denken over die ervaringen ben ik minder gevoelig geworden voor het oordeel van anderen.”
“Je moet houvast in jezelf vinden.”
Maar daar kwam ook een andere stem tegenover te staan:
“Of gewoon accepteren dat een waardeoordeel pijn doet.”
“Ik zal nooit zo sterk worden dat beoordelingen me niets doen. Maar dat is oké.”
Daarop ontstond weer een nieuw inzicht:
“Als iets naars je niet meer kan raken, kan liefde je misschien ook niet meer raken.”
Een ander reageerde:
“Dan wordt liefde meer observeren dan echt geraakt worden.”
En weer iemand anders zei:
“Liefde kan ook universeel zijn in plaats van persoonsgebonden.”
Er werd ook gesproken over zelfexpressie en contact.
“Door muziek maken heb ik geleerd dat je kunt oefenen in contact maken met jezelf en anderen.”
“Veel mensen durven geen zelfexpressie te doen. Dan maak je ook geen contact met jezelf.”
Er werd gesproken over verbinding met jezelf en de omgeving.
“Een schadelijke overtuiging is dat je losstaat van de omgeving en minderwaardig bent.”
“Ware connectie is eng.”
“Ik denk dat ik er niet toe doe.”
“Ik wil dingen niet te dichtbij laten komen.”
Daarop zei iemand:
“Maar die overtuiging dóé jij zelf. Dat geeft stress.”
Er werd besproken hoe de samenleving tegelijk mogelijkheden biedt én vervreemding kan geven.
“De samenleving is vruchtbaar om in te floreren, maar nodigt niet uit om te verbinden.”
Een deelnemer vertelde:
“Ik trek me weinig van de samenleving aan. Dat heb ik van mijn ouders overgenomen.”
Er werd ook gesproken over het toelaten van emoties.
“Uiten begint met iets eerst in jezelf toelaten.”
“Niet iedereen voelt liefde meteen. Een psychiater gaf mij veel liefde en nu pas voel ik het.”
Over agressie en fantasie werd opvallend open gesproken.
“Sommige fantasieën van mezelf vind ik eng. Zoals iemand in een zuurbad laten sudderen.”
Daarop reageerde iemand:
“Dan kun je beter een kopje tegen de muur gooien.”
Een ander vertelde:
“Vroeger wilde ik iemand soms helemaal tot pulp slaan.”
“Dat heb ik al jaren niet meer gehad.”
En iemand zei droog:
“Ik vind nog steeds dat wraak zoet is.”
Ook oude verhalen kwamen naar boven:
“Als kind had ik een buurman die mijn bal kapot stak.”
“Toen heb ik zijn trap met groene zeep ingesmeerd en bijen in zijn brievenbus gestopt.”
De groep sprak over het belang van uiten vóór spanning zich opstapelt.
“Je moet niet te lang wachten met jezelf uiten, anders verlies je verbinding met de buitenwereld.”
Maar ook:
“Je kunt wel even nadenken over hoe je jezelf uit.”
Tegelijk kwam er ruimte voor verschil:
“Allebei is goed. Of je nu primair of secundair reageert.”
LOSLATEN
Loslaten betekent niet dat spanning verdwijnt of dat gevoelens er niet meer mogen zijn. In de workshop ging het juist over ruimte maken voor gevoelens, zonder erin vast te raken. Soms helpt het om spanning toe te laten, soms is het nodig om jezelf juist weer in beweging te brengen.
Er werd gesproken over spanning die naar binnen slaat.
“Je kan spanning ook in jezelf uitageren.”
“Ik zie dat als doorvoelen. Gewoon laten uitwoeden.”
Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen voelen en zelfhaat.
“Dat is iets anders dan boosheid op jezelf richten.”
Een deelnemer vertelde:
“Vroeger ging ik mezelf snijden.”
“Ik kon niks voelen.”
“Het was zelfhaat vanuit de illusie dat alles mijn fout was.”
Ook kwam naar voren hoe belangrijk het is om emoties niet volledig af te sluiten.
“Omdat ik me niet kon uiten sloeg ik alles kort en klein.”
“In therapie heb ik geleerd het eruit te gooien.”
“Anders word je destructief.”
De groep sprak ook over praktische spanning, zoals administratie en post.
“Huishouden en administratie geven mij spanning.”
“Ik stel het uit tot het uit zicht raakt.”
“Dan krijg ik boetes.”
Daartegenover stonden andere strategieën:
“Rekeningen doe ik altijd meteen.”
“Ik heb me voorgenomen post direct te openen.”
Maar ook:
“Ik ben bang om brieven te openen door eerdere rechtszaken.”
Daarop kwam een inzicht over vermijding en stress:
“Als je iets snel wilt wegwerken of juist uitstelt, bevestig je dat het stressvol is.”
“Ga met die envelop zitten tot je rustig bent.”
Een ander vertelde juist het tegenovergestelde probleem:
“Ik heb lange periodes gehad waarin ik te weinig stress voelde.”
“Ik was overal te laat. Vliegtuigen vertrokken zonder mij.”
Armoede en dakloosheid kwamen ook ter sprake.
“Door de armoede uit mijn jeugd onderhoud ik nu alles goed.”
“Het huis van mijn moeder is twee keer ontruimd.”
“Ik ben jarenlang dakloos geweest.”
“Dit ga ik niet verprutsen.”
Over overgave werd een opvallende uitspraak gedaan:
“Ik bedenk altijd: wat is het ergste wat er kan gebeuren?”
“Dan geef ik me daar alvast aan over.”
“Op een gekke manier geeft dat juist ruimte om alsnog te doen wat nodig is.”
Ook het waarderen van kleine stappen kwam terug.
“Ik zie proberen ook als overwinning.”
“Ik probeer alles wat ik doe om iets op te lossen als succes te ervaren.”
“Post openen, lezen, voelen wat het met me doet.”
En soms juist helemaal toelaten wat er gevreesd wordt:
“Helemaal meegaan in: het wordt heel erg, ik kom op straat.”
Niet om erin te verdrinken, maar om er niet meer tegen te hoeven vechten.
BALANS
In de workshop kwam steeds dezelfde beweging terug: wanneer helpt actie, en wanneer helpt het juist om te stoppen met vechten? De wijsheid leek niet te zitten in alleen controle houden of alleen loslaten, maar in het leren bewegen tussen die twee.
“Nu het beter gaat, heb ik tijd om naar mijn leven te kijken.”
“Voor mij is de aanval de beste verdediging: dingen meteen zeggen.”
“Soms moet je spanning eerst toelaten voordat je er iets mee kunt.”
“Je moet niet te lang wachten met jezelf uiten.”
“Maar je hoeft ook niet alles er meteen uit te gooien.”
“Het gaat uiteindelijk om contact — met jezelf én met anderen.”